Er was applaus toen de grote rode auto voornaam het stille dorpsplein opzwenkte. Omdat we ons graag goed voorbereiden op iets feestelijks als uit eten gaan, waren we uitgedost alsof we naar weet-ik-wat voor partij gingen: de jongens keurig in bloes, riem in hun kekke korte broekjes, de kleine meid in een fleurig jurkje, toetjes glimmend geboend, weerbarstige haren netjes gekamd, nog vochtig van het nodige water. Zelf droeg ik een zandkleurig lichtgewicht zomerkostuum, compleet met colbert en das en een breedgerande strooien hoed, eigenlijk bedoeld als bescherming tegen de zon, maar nu zeer gelegen komend voor een zwierige groet naar het dozijn of zo klappende dorpelingen. De meeste indruk echter zal mijn vrouw gemaakt hebben: haar ranke, rijzige figuur maakt van een eenvoudige japon al een robe, nu in haar feestelijk kleed en hoed met breed roze lint zag ze er uit alsof ze zo van Ascot kwam.
Of waren toch de grote letters ‘CDN’ achter op de auto – herinnering aan een ander, voorbij avontuur – oorzaak van het misverstand, dat wij deze ingeslapen streek bezochten met een belangrijke diplomatieke missie, uitgezonden door een of andere verre noordelijke natie, die – wie weet – dorp en achterland zou opstoten in de vaart der volken.
Goed gekostumeerd als we al waren en voorzien van alle noodzakelijke attributen, vielen wij dadelijk en zonder moeite in onze rol: de omstanders minzaam groetend, hielp ik mijn gemalin uit ons voertuig, vervolgens richtten wij onze schreden naar de dorpsherberg, getooid met de volstrekt misplaatste naam ‘Hotel du Commerce’. Reeds spoedde de waard zich naar buiten om ons handenwringend en buigend welkom te heten. De gedachte, dat het ons behaagde in zijn eenvoudig etablissement te noenmalen, droeg in niet geringe mate bij aan ‘s mans zelfvertrouwen. Toen hij zich er van overtuigd had dat wij tot volle tevredenheid gezeten waren, haastte hij zich naar de keuken.
Op dat moment viel er een duidelijk hiaat in de zich tot dan toe onstuitbaar ontwikkelende geschiedenis. Nadat ik al een paar maal was gaan verzitten, ontdekte ik de waardin, die zich in een halfduistere nis bescheiden op de achtergrond hield. Ik wenkte haar en vroeg vriendelijk en geduldig, maar toch zo duidelijk mogelijk en onderstreept met naar ik hoopte welsprekende gebaren, het menu te mogen inzien, MENU, begrijpt u? De vrouw keek mij lichtelijk onthutst aan, gaf met veel omhaal van woorden een geagiteerd antwoord, waarvan ik helemaal niets begreep en slofte toen haastig naar achteren, naar haar man in de keuken.
Weer viel er een pauze, maar toen verscheen de waard, een indrukwekkend dienblad voor zich uit torsend, beladen met een keur aan verse waren, zo van het land, en een grote aarden kruik vol frisse koele landwijn.
Niets te kiezen begreep ik, gewoon eten wat de pot schaft. Later ontdekte ik, dat ook dat niet juist is, maar dat ik mij buiten naast de deur nauwkeurig op de hoogte had kunnen stellen van aard en prijs van het menu en dat bovendien eenvoudige plattelandsgelegenheden vaak niet meer keuze bieden dan tussen twee menu’s en soms zelfs niet meer dan tussen het nuttigen van de enig aangeboden maaltijd of verder rijden naar een volgende gelegenheid. Maar met dat alles was ik toen nog niet bekend; dit was pas wat bij ons in de familiekring bekend staat als ‘Het Eerste Frankrijk’. Het deed er overigens ook niet toe, wij genoten en de waard, die meer dan gewoon zijn best had gedaan, stond te glimmen bij het constateren van onze tevredenheid.
Bij het opdienen van de geroosterde lamskoteletten sprak ik de man aan en verklaarde dat zulk mooi vlees een echte hoge wijn verdiende, waarmee natuurlijk niets ten nadele van de wijn uit de het hoofdgerecht begeleidende karaf gezegd wilde zijn: een helderrode streekwijn, onmiskenbaar afkomstig uit de Mâconnais. Even dacht hij na, dan lichtte zijn gelaat op in een brede lach. Hij had iets heel ‘speciaals’ voor mij, dat verstond ik goed! Bij terugkomst droeg hij voorzichtig een bestoft half flesje, zijn laatste begreep ik. Dus dronken we toch maar eerst de karaf leeg bij het lamsvlees en bewaarden het kleine bijzondere flesje voor bij de kaas.
Nu hadden ze me altijd verteld, dat je Beaujolais jong moet drinken, maar voor een ‘Grand Cru du Beaujolais’ hoeft dat niet op te gaan – zeker niet voor deze prachtige Fleurie van een uitstekend jaar. Al toen de wijn robijnrood als rozen in ons glas gleed, verraste ons het bouquet met zijn associaties van voorname bloementuinen en verfijnde zinnelijkheid, zoals wakker worden kan verrassen na een droomloze ontspannen slaap. De wijn zelf overtrof in zijn harmonie en fluwelen gratie zo mogelijk nog de door zijn neus gewekte verwachtingen en zo werd het slotakkoord een even onverwacht als gelukzalig hoogtepunt van de maaltijd.
Behoorlijk onder de indruk en met iets minder waardigheid dan waarmee we waren gekomen, betraden we het dorpsplein, blakerend in de middagzon. Toen opnieuw applaus opklonk, maar krachtiger dit keer en vermengd met de eerste voorzichtige juichkreten, keken wij niet begrijpend en half verblind door het helle licht het plein rond. Dan – ongeveer naarmate onze ogen aan het licht wenden – drong het tot ons door dat, terwijl wij ons binnen te goed zaten te doen, de mare van het ‘hoge’ bezoek in het dorp de ronde had gedaan. Ongelovig registreerden wij de nog steeds overbelichte beelden van wat ongeveer de halve dorpsbevolking, klappend en zwaaiend, verzameld op het plein, geweest moet zijn.
Niet meer geheel in stijl, maar zo goed en zo kwaad mogelijk, begaven we ons naar de auto. In mijn verwarring reed ik de verkeerde kant op, zodat er niets anders op zat dan na een rondje om de kerk, nogmaals over het dorpsplein te rijden. Daar werd nu voluit geschreeuwd en gejuicht, ja ik zag zelfs mensen met rood-wit-blauwe vlaggetjes zwaaien – de Franse versie uiteraard. De kinderen wuifden, mijn vrouw knikte en glimlachte en ik verloor haast mijn hoed en de macht over het stuur bij mijn brede armgebaren naar al die ontzettend aardige mensen.
Buiten het dorp stopte ik langs de kant van de weg: even bekomen! Weldadig viel hier in het vrije veld de glazen stolp van stilte om ons heen.
Om nooit te vergeten.

Hollandse Rading

In mijn verzameling ingeplakte wijnetiketten bevindt er zich één, waaronder ik ooit schreef:
24-7-19. . Eén van de meest verrassende gebeurtenissen in het wijnproeven sinds lange tijd. Een buitengewoon geurige, bloemige, charmante wijn met precies genoeg corps. (Hotel du Commerce, Joncy)
Met een mengeling van ergernis en gêne lees ik de waanwijze en tegelijk volstrekt ontoereikende woorden. Maar dan treft me een andere indruk, een soort concentratie van mijn bewustzijn op tong en verhemelte, waarop een gevoel van leegte volgt dat zich uitbreidt tot achter mijn hele gezicht. Ik weet wat het is, maar kan er de woorden niet voor vinden.
Dat is het probleem van de taal: alle begrippen van gezicht en gehoor zijn nauwkeurig benoemd en kunnen via het handvat van hun woord naar believen worden aangeduid en in de herinnering worden teruggeroepen. Voor het derde zintuig, de chemische zin, smaak en reuk beide, is dat nauwelijks het geval, zodat voor geurimpressies en smaakgewaarwordingen eigenlijk geen passende omschrijvingen bestaan. Dat is de verklaring voor de schijnbaar gezwollen taal, waarin wijnkenners melding maken van hun bevindingen: in werkelijkheid krampachtige pogingen om de kluisters van een overwegend visuele taal te verbreken. Vandaar ook mijn gêne bij het lezen van die hopeloos tekortschietende omschrijving. Maar tevens het fascinerende van deze onredelijke, woordeloze, maar zeer wezenlijke reminiscentie, opgeroepen door de woorden die ik schreef, maar ook door het zien van het etiket en de beelden van jaren her die de herinnering op de monitor van mijn geest projecteert.
Nu is dit Fleurie-etiket allesbehalve het enige dat zulke woordeloze herinneringen oproept en aanvankelijk heb ik er ook niet anders op gereageerd dan op iedere andere wijn, waarvan om wat voor reden dan ook, de herinnering onweerstaanbaar wordt. Ik zoek dan in mijn kelder, die ik zonder overdrijven welvoorzien mag noemen, een fles van de wijn in kwestie of – als dat onmogelijk is – een jongere jaargang van dezelfde wijn of zelfs één van een naburige wijngaard. Vervolgens neem ik er even de tijd voor om mij in alle rust te concentreren op wat bedoeld is als een feest der herkenning. Soms valt de vergelijking in het nadeel uit van het glas van het moment, het kan zelfs zijn dat ik nauwelijks een overeenkomst weet te vinden. Maar in deze zeldzame gevallen lukt het bij een tweede of zeker een derde poging de gezochte wijn weer te vinden. En bovendien, niet zeldzaam zijn de keren dat ik op zoek naar een bepaald type wijn, schoonheden met volstrekt onvermoede kwaliteiten tegenkom. Het resultaat is, dat na één of enkele keren de herinnering weer is opgefrist en verrijkt met verse indrukken. Meestal ook nauwkeuriger geworden door kleine of grote correcties, die noodzakelijk bleken.
Met de Fleurie echter, liep het anders. Mijn plakboek getuigt van de vele pogingen die bepaalde nuance in neus en smaak te hervinden, maar de bijschriften maken duidelijk hoe volstrekt vruchteloos ze alle geweest zijn. Zo ging de herinnering aan juist deze wijn mij meer en meer obsederen en uiteindelijk vermeed ik het zo veel mogelijk mijn verzameling bij dit etiket op te slaan.
Fleurie

Het was een lange dag geweest, met een reeks van afspraken en vele honderden kilometers achter het stuur. Moe, maar tevreden droeg ik mijn koffer naar de kamer in het hotel, waar ik voor de nacht onderdak had gevonden. Ik friste mij wat op, maar de tijd om aan tafel te gaan was nog niet gekomen. Mijn maag knorde in protest, hier gold echter acht uur als een fatsoenlijke tijd voor het diner – anders dan wij gewend zijn. Ik had dus nog ruimschoots tijd alvast een kaartverkenning van de route voor morgen te maken. Wat afwezig liet ik mijn ogen dwalen over Carte Michelin 73 . . . Dan opeens, daar stond het, op de vouw, in een wirwar van wegen en dorpjes, toeristische routes, bezienswaardigheden en departementale grenzen: Fleurie! Niet meer dan een kilometer of twintig rijden en hoofdzakelijk grote wegen. Ik kon er niet meer onderuit: nu moest ik gaan.
Had ik bij Hubrecht Duijker niet eens gelezen, dat ‘tout-Fleurie’ zich placht te verzamelen in het Café des Sports? In ieder geval nam ik me voor daar eerst maar eens mijn geluk te beproeven. Er was maar één logische plaats om de auto neer te zetten, midden in het dorp op het plein en toen ik uitstapte, viel mijn oog direct op het ‘Café des Sports’ op de hoek. Haast mechanisch liep ik naar het terras waar inderdaad een soort volksoploop aan de gang scheen te zijn. Aanvankelijk nog wat aarzelend maar allengs beslister deed ik mijn verhaal: “Men zoekt een wijnboer, een zekere Alain Claude.” Vrijwel meteen had ik succes: “Alain? Wacht es, o ja natuurlijk: Alain! Kijk meneer, je gaat hier gewoon de straat uit en dan tegenover die telefoonpaal links, nou en daar is het. Maar eh . . . doe het een beetje rustig aan hè! De oude Alain heeft het moeilijk genoeg gehad de laatste tijd!”
Daar moest ik het mee doen, mijn zegsman vond kennelijk dat hij zijn mond al voorbij gepraat had en nu nog anderen aanklampen, dat was al te gek. Dus ging ik op weg, met lood in de schoenen, maar toch niet bij machte rechtsomkeert te maken, in te stappen en weg te rijden.
Onderweg, te laat dus, schoot me te binnen wat Belcampo ooit over herinneringen heeft gezegd. Hoe gevaarlijk het is een herinnering met de werkelijkheid te confronteren. Immers, een herinnering is een beeld uit het verleden, bewaard, gekoesterd en verfraaid in onze geest. Maar ondertussen staat de wereld niet stil en de werkelijkheid, waaraan de herinnering werd ontleend, ontwikkelt zich volgens eigen wetten. Hoe meer tijd verlopen is tussen de momentopname, die in ons geheugen werd opgeslagen, en de confrontatie in het heden, hoe verder beeld en realiteit uit elkaar zullen zijn gegroeid en hoe gewelddadiger de confrontatie.
Met schrik probeerde ik af te tellen hoeveel jaren er verlopen waren tussen die warme zomermiddag in Joncy en deze dwaze pelgrimage in Fleurie. Toen bedacht ik dat ik daar nog weer eens zoveel jaren bij moest tellen vanwege de ouderdom van dat flesje. En wat te doen met de jaargang van de wijn, die ik straks misschien zou gaan proeven? Ik kwam er niet meer uit, maar één ding leed geen twijfel: het waren veel jaren, te veel jaren om te durven hopen op een voorspoedig besluit van iets, dat nu duidelijk het karakter van een obsessie had gekregen.
Volgens de instructies sloeg ik bij de telefoonpaal linksaf, een smal omhoog kronkelend straatje in. Al na amper honderd meter hield de straat min of meer op en stond ik tegenover een grote poort, die toegang gaf tot een soort binnenplaats of ommuurde hof. “Y-a-’t-il personne – Is daar iemand!”, mijn stem schalde over de hof en weerkaatste tegen de blinde muren van de gebouwen aan weerszijden. Binnen sloeg woedend een hond aan, hoog op een bordes ging een deur open en als een projectiel schoot een scharminkelige Duitse Herder naar beneden. In mijn buurt gekomen remde de hond af en stond me wantrouwig kwispelend op te nemen, dan snuffelde hij aan mijn uitgestoken hand en liet zich vervolgens genietend achter de oren krauwen. Op het bordes was nu ook een slonzige jonge vrouw verschenen, die met schelle stem de hond begon terug te roepen. Ik zei nog iets van: “Laat maar, ‘t is een brave hond”, maar het dier ging alweer met duidelijke tegenzin de trap op naar zijn meesteres.
Uit mijn ooghoeken had ik inmiddels waargenomen, dat ook op het bordes aan de overzijde van de hof beweging was. Een heer op leeftijd, zag ik nu, in hemdsmouwen en op pantoffels, maar – met vest – duidelijk een heer. Tot de hof in het algemeen en niemand in het bijzonder herhaalde ik mijn boodschap: “Men zoekt Alain Claude, de vigneron . . .” De oude heer knikte, instemmend leek het wel en trok zich daarna terug, even rustig als hij was verschenen. De vrouw begon aan een omstandig antwoord op ruzie-achtige toon, toch blijkbaar niet onwelwillend. Ik was niet aan het juiste adres, zo begreep ik al spoedig uit haar woorden, ik had het hek direct rechts aan het begin van het straatje moeten hebben – recht tegenover de al eerder genoemde telefoonpaal. Ik dankte haar zo hartelijk als mij gezien de noodzakelijke stemverheffing mogelijk was en keerde op mijn schreden terug.
Het erf maakte een verlaten en wat verwaarloosde indruk. Mij viel vooral een oude Citroën op, naar schatting van ruim voor de oorlog. Mijn roepen bleef volstrekt zonder resultaat. Eindelijk, ongeduldig, begon ik het terrein wat te verkennen. Opzij van een schuurtje botste ik bijna tegen een oude man op. Ik twijfelde geen moment: ik had Alain Claude gevonden! Hij liep moeilijk, maar niet zonder waardigheid. Ik zei mij te herinneren een fles van hem te hebben gedronken, die mij bijzonder goed bevallen was – mijn obsessie ging hem niets aan. Hij vertelde me, dat hij me eigenlijk niet meer kon helpen. Sinds zijn knieën versleten waren, verzorgde hij nog slechts zijn eigen kleine lapje grond met ook een paar wijnstokken, vooral omdat hij het niet laten kon. Een oude man alleen . . . Ach meneer, wat heeft die nou nodig? Zijn zoon was geëmigreerd naar Canada, ja natuurlijk: Quebec. Zijn vrouw was hem dit voorjaar ontvallen . . . Slechts de grijze ogen werden een paar tinten donkerder, toen hij mij vertelde van de slagen die hij geïncasseerd had, overigens leek de uitdrukking van zijn gezicht nauwelijks te veranderen.
Wij waren ondertussen in de schuur aangekomen. Van de enkele trossen van zijn eigen stokken maakte hij nog wat wijn, voor zichzelf en de komende en gaande man. Alleen van de laatste oogst – een schraal jaar – had hij nog een paar flessen staan. Maar als meneer hem het genoegen wilde doen?
Argwanend zag ik het goedkope etiket op de fles. Hij volgde mijn blik: inderdaad, dat was niet meer hetzelfde sinds hij geen métayard meer was. Ik probeerde me wat minder bloot te geven. Plotseling voelde ik me intens moe: alsof ik onafgebroken op pad was geweest sinds Joncy. In het schemerduister ving de straal wijn opeens het licht van een kaars en robijnrood flonkerde de wijn in het glas. Hij reikte me het glas aan en terwijl ik het bouquet diep in mijn neusgaten snoof, probeerde mijn geest een gewaarwording uit het verleden te rijmen met het heden. Maar hoewel mijn zintuigen wel aanknopingspunten vonden, overheerste toch de teleurstelling: Belcampo’s gewelddadige confrontatie!
Terwijl ik nog zocht naar herkenning, drong het tot me door dat de oude wijnboer me aan het uitleggen was, dat – op een enkele fles na – hij mij niets kon verkopen, hij had gewoon niet meer nu hij nog maar zo weinig oogstte. Maar als ik toch wat mee wilde nemen, dan zou hij me natuurlijk aan zijn ‘propriétaire’ kunnen voorstellen . . .
Zo ontmoette ik voor de tweede keer die avond de oude heer, die ik al eerder op het bordes had gezien. Hij was een telg uit een – zoals hij het zelf uitdrukte – typische bourgeoisfamilie. Als grootgrondbezitters hadden ze wel zo’n twintig métayards aan het werk. Dat bleken een soort pachtboeren te zijn, die als pacht maar liefst de halve opbrengst aan de landeigenaar moeten afstaan. Daar staat echter tegenover, dat de propriétaire alle lasten draagt, zoals de aanschaf van tractoren en machines, de kosten van de benodigde bestrijdingsmiddelen en mest, ja zelfs de aankoop van jonge stokken als een wijngaard herplant moet worden, komt voor zijn rekening. Ook de extra arbeidskrachten tijdens de druivenpluk worden door de eigenaar en niet door de pachter betaald. Kortom, alle kosten worden gedragen door de eigenaar, de pachter brengt uitsluitend zijn arbeid in en wordt daarvoor in natura beloond met de halve opbrengst. Mij deed het denken aan de horigen uit ver vervlogen, feodale tijden, maar de beide oude mannen tegenover me maakten allerminst de indruk dat er tussen hen een zo serviele verhouding zou bestaan. O ja, de oude heer Harcourt was duidelijk meer op zijn gemak, maar al zat Alain Claude wat stijfjes recht op zijn stoel, uit zijn rustige grijze ogen en ontspannen gelaatstrekken sprak allerminst onderdanigheid, maar eerder iets van . . . het leek haast wel vriendschap.
De heer Harcourt had scheikunde gestudeerd, vertelde hij, maar de wetenschap had hem nooit zo getrokken. In plaats daarvan had hij carrière in de industrie gemaakt en was directeur van een groot tractorconcern geworden. Maar altijd had hij zijn vakantie in de herfst, tijdens de vendange genomen en altijd had hij de vinificatie van een deel van de hem toekomende opbrengst zelf verzorgd. Jaar op jaar had hij geëxperimenteerd en geleerd en de resultaten besproken met zijn oude jeugdvriend, zoon van een pachter van zijn ouders en inmiddels zelf métayard. Dat was – hoe kon het anders – Alain Claude. Voor zijn experimenten had hij alleen maar druiven afkomstig van ‘les Monts’, de wijngaard van Claude, willen hebben. En zo hadden ze samen geleerd en maakten ze samen wijn. Zo ook had de oude heer zich op zijn pensioen voorbereid: met een bezigheid, waarin hij een diepe voldoening vond.
Maar tegelijkertijd had hij zijn vriend niet vergeten en gezorgd, dat hij voor zichzelf een huis met een lapje grond had gekocht. Weliswaar maar een paar honderd vierkante meter, helemaal niets vergeleken met de ettelijke honderden hectares van Harcourt, maar zo was Claude toch ook ‘propriétaire’ geworden.
Tja, nu werden ze oud en Claude bewerkte alleen nog maar zijn eigen kleine stukje. Een andere pachter zorgde nu voor zijn oude wijngaard. Van jaar tot jaar moest ook Harcourt de hoeveelheid druiven, waar hij wijn van maakte, verminderen. Maar nog altijd deed hij dat van druiven, afkomstig van ‘les Monts’ en op zijn eigen persoonlijke wijze, die hij na vele jaren zoeken samen met zijn vriend had ontwikkeld. Toen ze vonden dat ze bereikt hadden, waarnaar ze zochten, waren ze al bijna oude mannen geweest. Toen ook hadden ze besloten om voor één maal hun wijn ter keuring in te zenden naar het grote Concours op de landbouwtentoonstelling in Parijs. En . . . goud hadden ze gewonnen, de hoogste lof meteen de eerste keer! Zijn blik dwaalde af naar het ingelijste diploma aan de muur: ‘Medaille d’Or’ . . . in sierlijke gotische letters. Maar mijn oog viel op iets anders: het jaar! Het was de wijn geweest uit die kleine dorpsherberg in Joncy, de wijn waarvan de herinnering mij al die jaren had achtervolgd.

Nu, aan het eind van zijn verhaal bood de gastheer eindelijk aan met elkaar een glas te drinken. Voorzichtig droeg hij de fles naar binnen, ontkurkte hem met zorg, keurde langzaam en genietend, schonk dan onze glazen vol. Ik stond op en bracht een toast uit, snoof dan het bouquet. De exotische bloementuin, de harmonie en gratie: mijn geest werd heen en weer geslingerd tussen een dorpsherberg van jaren terug en deze, wat ouderwetse huiskamer. Als door een waas zag ik de beide mannen en opeens werd ik me bewust van de – ondanks het grote verschil in positie – opvallende gelijkenis tussen hen. Zou, behalve het traditionele systeem van de métayage, hier soms ook nog het recht van cuissage in zwang zijn geweest? Alles draaide even voor mijn ogen en voor een moment leek het of Harcourt en Claude samensmolten tot één persoon. Dan hervond ik mijn evenwicht en ongewoon helder zag ik nu het diploma, recht tegenover mij aan de muur tussen beide mannen in: ‘De gouden medaille, uitgereikt aan’ – dit alles stond voorgedrukt – daaronder geschreven in sierlijk krullende letters slechts één naam:
Claude Harcourt, vigneron-propriétaire à Fleurie.